Essays en opiniestukken:WIL DE ECHTE JOSIP DZJOEGASVILI OPSTAAN?
30-09-1994 • Opiniestuk verschenen in De Morgen
Ik wilde een stuk schrijven over het jongste boek van Ludo Martens, Een
andere kijk op Stalin, toen mij plots een uitspraak te binnen viel van Mark
Schaevers. Twee jaar geleden, tijdens een interview voor Humo, diepte hij
uit zijn tas een kranteartikel op: mijn bespreking van De fluwelen
contrarevolutie van diezelfde Martens. Hij zei: "dit is het
aller-belabberdste wat je ooit hebt geschreven." Hij begreep niet hoe ik
iemand ernstig kon nemen die Stalin verdedigde, een tiran met twintig
miljoen doden op zijn geweten.
Dergelijke reactie is niet verwonderlijk. Ze is representatief voor het
beeld dat de meeste mensen vandaag de dag over Stalin hebben. Stalin
verdedigen betekent zoveel als intellectuele zelfmoord. Er is ook tuig dat
de gaskamers ontkent, weet je. Ik kon dus twee dingen doen: een nog
belabberder stuk schrijven of mijn schedel openleggen en aangeven waarom
mijn hersenen geen vrede nemen met de communis opinio.
Om te beginnen maakt het gemeen gelijk niet veel indruk op mij. De ervaring
leert mij dat vele intellectuelen over Stalin een mening hebben die wel
onwrikbaar is, maar weinig gefundeerd. Zij nemen vrij klakkeloos over 'wat
iedereen denkt', rapen links en rechts een verhaal of een bewering op en
stellen zich verder geen vragen. De eensgezindheid over Stalin steunt
volgens mij meer op intellectuele slaafsheid dan op kennis van zaken. Je
krijgt haast een vuist in je bek als je iets dissonants mompelt, maar nooit
vind je iemand die bronnen of feiten geeft die Stalins monsterachtigheid
overtuigend bewijzen. Dat is ook niet zo eenvoudig.
Want ook de auteurs die verantwoordelijk zijn voor het gangbare Stalinbeeld
steunen op weinig betrouwbare bronnen en gebrekkig historisch onderzoek. In
de inleiding van zijn Origins of the great purges (1985) schrijft J.Arch
Getty, een Amerikaanse historicus: "For no other period or topic have
historians been so eager to write and accept history-by-anecdote." Ons beeld
van de Sovjetrealiteit onder Stalin steunt hoofdzakelijk op persoonlijke
verhalen, getuigenissen en memoires. Zulke bronnen kunnen een schrijnend
beeld geven van individuele ervaringen, maar ze zijn vaak oncontroleerbaar
en kunnen ons onmogelijk inlichten over de motieven van Stalin of de
politiek van de Communistische Partij. Daarvoor volstaat evenmin de versie
van Stalins politieke opponenten - "all self-interested political actors (who)
had little incentive to produce an objective view" -, maar is
wetenschappelijk en onafhankelijk onderzoek nodig. Voor het cijfer van
twintig miljoen slachtoffers ontbreekt elke grond: "Because there are no
convincing statistics, all calculations are quite subjective and appear to
reflect the point of view of the person making the calculation."
Origins of the great purges is een volstrekt onideologisch en zelfs
apolitiek boek. Het is een nauwgezet onderzoek naar de politiek en de
werking van de Communistische Partij op basis van onpersoonlijk en
controleerbaar materiaal: partij-documenten, administratieve stukken,
statistieken, boekhouding, ledenlijsten, krantenartikels, notulen van
vergaderingen enz. Een van Getty's belangrijkste bronnen is het
partijarchief van Smolensk, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in handen van
de Duitsers viel en een schat aan informatie bevat over het politiek leven
op lokaal vlak. Getty toont hoe het complexe partijweefsel is gestructureerd
en functioneert en komt tot ontnuchterende conclusies. Van een goed geolied,
door Big Brother gecontroleerd apparaat, dat de burgers tot in de kleinste
uithoeken van het rijk onder de knoet hield, is geen sprake. Van een
oppermachtige alleenheerser wiens grillen en paranoïde opstoten wet waren,
evenmin. Uit Getty haal ik een realistisch beeld over de sterkte van de
partij, de tegen-stellingen binnen het centraal comité, de (vaak gebrekkige)
communicatie van de top naar de basis, de machtspositie van lokale
partijsatrapen, het verloop van campagnes, enz. In dat beeld domineert het
streven van de partijtop om de basis weerbaar te maken tegen de lokale
bureaucratie en het land te zuiveren van saboteurs en complotteurs, met het
oog op de nakende oorlog. Het is een menselijk beeld waarin verdeeldheid,
aarzeling, vergissing, chaos, onmacht, paniek en ontsporing hun plaats
hebben. De processen en zuiveringen verliezen daardoor hun absurd en
mythisch karakter en worden verklaarbaar.
Het spijtige aan Getty's boek is dat het niet te vinden is. Ik heb het
gelezen in een gefotocopieerde versie. Ik vermoed dat er in België geen tien
exemplaren van circuleren. Alleen dat is al veelzeggend. Getty analyseert de
communistische partij van de Sovjet-Unie even secuur als Shirer de
nazi-partij. De twee zijn trouwens zeer vergelijkbaar wat betreft werkwijze,
historische distantie en objectiviteit. Rise and Fall of the Third Reich
wordt beschouwd als een standaardwerk, maar Getty's studie kent niemand. Hoe
komt dat? Goeie vraag, denk ik.
Het loont de moeite Getty's aanpak te vergelijken met die van populairdere
Stalinboeken. Zeven jaar na Getty verscheen Hitler and Stalin van Alan
Bullock, een druk vertaalde, lovend besproken en krachtig gepromote
bestseller. De tegenstelling is echt markant. Alleen al hierom: Getty
schrijft over de Sovjet-Unie, Bullock over Stalin. Getty schetst een
complexe realiteit waarin Stalins optreden een factor is naast tal van
andere factoren; Bullock schetst een mythische figuur die door zijn
machtsstreven de geschiedenis van de Sovjet-Unie dertig jaar lang in zijn
eentje heeft bepaald. Getty wijst op de onmogelijkheid voor een historicus
gefundeerde conclusies te trekken uit dubieuze bronnen; Bullock gebruikt dat
soort bronnen zonder reserve en bij de vleet. Getty vertrekt van
controleerbare gegevens en leidt daar voorzichtige conclusies uit af;
Bullock vertrekt van een a priori, Stalins ziekelijke drang naar
bevestiging, en reconstrueert de Sovjetgeschiedenis in dat licht.
Hitler and Stalin is het werk van iemand die alles weet. Het is Bullock
volstrekt duidelijk wat Stalin op elk moment voelde, dacht, vreesde,
geloofde en van plan was. Bullock kent hem perfect. Hij was "een ruige,
ruwe, lastige man, wiens oorspronkelijke revolutionaire motieven veel
sterker gekleurd (waren) door haat en wrok dan door idealisme". "Bedrog en
verraad waren zijn tweede natuur." "Menselijk leed deerde hem niet." Hij
kende maar "één criterium: de totale en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan
zijn wil." Enzovoort.
Bullocks boek is een groteske waarin een zieke despoot in zijn eentje
beslist de boerenklasse te vernietigen of de legertop te laten executeren.
Om geen andere motieven dan het in stand houden van een ziekelijk zelfbeeld.
Politiek, economie en sociale realiteit zijn in dit boek niet meer dan
speeltuigen in handen van een tiranniek groot kind. Hitler and Stalin is een
mythische constructie. Demonomanie in plaats van wetenschap.
Het boek van Ludo Martens is even ideologisch als dat van Bullock. Voor
Martens is Stalin een groot man, een marxist die een correcte politiek
voorstond om van de Sovjet-Unie een moderne socialistische staat te maken.
Alle grote items, collectivisering van de landbouw, industrialisering,
zuivering van het partijapparaat en Tweede Wereldoorlog, worden behandeld
vanuit begrippen als klassenstrijd, opbouw en verdediging van het
socialisme, strijd tegen het herstel van het kapitalisme, enz. De auteur
laat over zijn positie niet de minste twijfel bestaan. Hij beschouwt het
kapitalisme als de grootste ramp die de mensheid ooit heeft gekend en het
socialisme als de enig mogelijke remedie daartegen. Stalin als lichtbaken
voor de verworpenen der aarde. Het is eens 'een andere kijk', geef toe.
Het spreekt vanzelf dat, net als bij Bullock, het gevaar bestaat dat bronnen
en citaten zorgvuldig geselecteerd worden in functie van het a priori. In
dat geval is Een andere kijk op Stalin niet meer dan een
propaganda-instrument voor militanten en sympathisanten van de PVDA. Ik denk
echter dat Martens de lat bbhoger heeft gelegd. Zijn boek is geen parallelle
hagiografie, maar een voortdurende confrontatie met de auteurs die
verantwoordelijk zijn voor het ingeburgerde Stalinbeeld: Medvedev,
Solsjenytsin, Conquest, Trotski, Chroetsjov... Hij confronteert hun weergave
van de feiten met tegensprekelijke bronnen. Geschriften van westerse
historici die niet kunnen verdacht worden van sympathie voor Stalin, maar de
feiten bestudeerden: Hiroaki Kuromiya over de industrialisering, Lynn Viola
over de collectivisering, Gabor Tamas Rittersporn en Getty over de
zuiveringen. Getuigenissen van rabiate anticommunisten die in de oppositie
werkten en een heel ander licht werpen op de zogenaamde paranoia van Stalin:
Boris Bajanov, Alexander Zinoviev, ene kolonel Tokaev. Buitenstaanders die
in de Sovjet-Unie werkten en verslag deden van hun ervaringen, bijvoorbeeld
inzake industriële sabotage: John Littlepage en John Scott. Een nuchtere
cijferaar als Nicolas Werth, die na de opening van een deel van de
Sovjetarchieven het aantal slachtoffers in de kampen berekende: Goulag: les
vrais chiffres. Generaals van het Rode leger die in 1956 Chroetsjov volgden,
maar in hun memoires geen enkele twijfel laten over de rol van Stalin
tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Ik weet wel, belezenheid en dossierkennis zijn geen argument om iemand
gelijk te geven, maar ze kunnen wel helpen om iemands ongelijk te bewijzen.
Laat ik een voorbeeld geven: Robert Conquest, een door de hele wereld
aanvaarde autoriteit. Zijn bekendste boek Harvest of Sorrow (1986)
beschrijft de genocide in de Oekraïne als gevolg van de
collectiviseringspolitiek van Stalin. Conquest schat het aantal slachtoffers
van die gruwel op 6.500.000. In 1988 werd zijn analyse al ernstig in vraag
gesteld door Stefan Merl in Wie viele Opfer forderte die "Liquidierung des
Kulaken als Klasse?" Conquest zondigt volgens Merl tegen de meest
elementaire regels van het bronnen-onderzoek. "Hij maakt gebruik van obscure
geschriften van emigranten die informatie doorspelen uit tweede of derde
hand. (...) Dikwijls steunt wat hij als 'feiten' presenteert op niet meer
dan een enkele discutabele bron."
In Een andere kijk wijdt Martens een uitgebreid hoofdstuk aan de publicaties
die vanaf de jaren dertig tot nu het westers beeld van Stalins genocide in
de Oekraïne hebben gevormd. Er blijken twee zaken uit. Ten eerste:
propagandaverhalen die in de jaren dertig door de Hearstpers (Hitlers
leverancier van berichtgeving over het buitenland) in Amerika en Europa
werden verspreid en prompt ontmaskerd, trekken zich van die ontmaskering (o.a.
vals fotomateriaal) niks aan en blijven het publiek rustig verder
'informeren' in Harvardpublicaties van de jaren 80 en Conquest' Harvest of
Sorrow. Ten tweede: de bronnen van deze publicaties, Conquest incluis, zijn
ofwel volstrekt oncontroleerbaar ofwel van duidelijke pronazi-signatuur, uit
kringen van de Oekraïnse collaboratie. Gedetailleerd en zorgvuldig schildert
Martens een halve eeuw 'mythevorming', vertrekkend van de nazi's en
uitkomend bij de Amerikaanse desinformatie in dienst van het anticommunisme.
Een sterk verhaal.
Ik wil maar zeggen: je hoeft niet meteen te supporteren voor de dictatuur
van het proletariaat om in Een andere kijk op Stalin boeiend en
confronterend materiaal te vinden. Bovendien biedt de marxistische
benadering van Martens een belangrijk voordeel op de Frankenstein- en
Caligula-verhalen. Hij legt de nadruk op de maatschappelijke
tegenstellingen. Zijn boek geeft geen geïdealiseerd beeld van de
Sovjet-realiteit en moffelt honger, ontbering en repressie niet onder tafel.
Het maakt integendeel duidelijk dat in de jaren '20 en '30 de Sovjet-Unie
het toneel is geweest van geweldige botsingen, waarin oude privileges en
machtsposities een strijd op leven en dood aangingen met de nieuwe
maatschappij die via collectivisering en industrialisering tot stand kwam.
In die botsing is ongetwijfeld veel leed berokkend en veel onrecht geschied,
maar dat leed en dat onrecht heffen niet de vraag op welke van die twee
maatschappijvisies de materiële en geestelijke emancipatie van de talloos
veel miljoenen uitdrukte. Bullock mag dan de collectivisering van de
landbouw bijvoorbeeld herleiden tot een brutale 'partij- en
politieoperatie', de feitenstudie van Lynn Viola wijst uit dat de partijtop
het enthousiasme aan de basis voor de nieuwe politiek niet in de hand kon
houden. Waar kwam dat enthousiasme vandaan?
Ik ben geen historicus, laat staan een Stalinkenner. Ik ben maar een leek
die de waarheid zoekt. Vroeger dacht ik dat het courante Stalinbeeld
ontegensprekelijk en rotsvast gefundeerd was. Een beetje lectuur volstond om
mij de wankele basis te laten zien. Ik beweer niet dat de Stalin van Martens
de historisch 'echte' is. Ik weet het gewoon niet. Al wat ik weet is dat de
discussie over Stalin onmogelijk als gesloten kan worden beschouwd en dat
het negeren van een bijdrage als die van Martens in een ernstig
intellectueel klimaat niet kan.
Ik léés nooit boeken, ik verslind ze. Charles Ducal