Het Amerika van George W. Bush: zonder oorlog gaat het niet meer
Jacques Pauwels - Essays en opiniestukken
In oorlogen wordt er kwistig met mensenlevens en met materiaal omgesprongen.
Daarom zijn de meeste mensen principieel tegen oorlog gekant. De Amerikaanse
President George W. Bush daarentegen schijnt er verzot op te zijn. Waarom? Vele
commentatoren zoeken het antwoord op die vraag in psychologische factoren. Er
wordt bijvoorbeeld beweerd dat Bush junior het als zijn plicht beschouwt om het
werk te voltooien dat vader Bush ten tijde van de vorige Golfoorlog om de een of
andere duistere reden onafgewerkt heeft gelaten. Anderen denken dat George W. -
de fils à papa die in de jaren 1960 veilig thuis bleef terwijl andere jonge
Amerikanen in Vietnam als kanonnenvoer dienst deden - gewoon geen benul heeft
van de miserie die oorlogen teweegbrengen. Weer anderen geloven dat Bush junior
op een korte en triomfantelijke oorlog rekent waarin er aan Amerikaanse zijde
weinig of geen doden zullen vallen, hopend dat een dergelijk succes hem een
tweede ambstermijn als president zal garanderen.
Ik meen dat een verklaring voor de houding van de huidige Amerikaanse president
elders moet worden gezocht. Het feit dat Bush dringend oorlog wil voeren heeft
weinig of niets te maken met zijn psyche, maar heel veel met het Amerikaanse
economische systeem. Dit kapitalistische systeem is er in de allereerste plaats
op gericht om superrijke Amerikanen - waartoe niet alleen de Bush-"gelddynastie"
behoort, maar ook de meerderheid van de presidentiële adviseurs zoals Rumsfeld,
Cheney, en Rice - nog rijker te maken. Zonder warme of koude oorlogen kan dit
systeem echter niet meer functioneren, d.w.z. de steeds hogere winsten
verwezenlijken die de superrijke individuen en ondernemingen van Amerika als hun
geboorterecht beschouwen. Daarom moeten er oorlogen gevoerd worden, en het is de
Amerikaanse regering in het algemeen en de President en zijn kabinet in het
bijzonder, die daarvoor moeten zorgen. George W. Bush is in de grond mogelijks
een zachtzinnig en vredelievend mens, maar hij weet wat van hem wordt verwacht.
Hij kan het zich niet veroorloven die verwachtingen niet in te lossen. Hij moet
gewoon ten oorlog trekken.
De grote sterkte van het kapitalisme op zijn Amerikaans is tegelijk zijn grote
zwakte, namelijk zijn uiterst hoge productiviteit. In de historische
ontwikkeling van het internationale industriële systeem dat wij het kapitalisme
noemen, hebben verschillende factoren tot een enorme verhoging van de
productiviteit bijgedragen, bijvoorbeeld de mechanisering van het
productieproces, een ontwikkeling die in Engeland al in de achttiende eeuw
begon. In het begin van de twintigste eeuw leverden Amerikaanse industriëlen
echter een cruciale bijdrage: de automatisering van het werk door middel van
technieken zoals de lopende band. Een innovatie van Henry Ford, bekend geworden
als het "Fordisme". De productiviteit van de grote Amerikaanse ondernemingen
steeg snel en al in de jaren 1920 rolden er in de autofabrieken van Michigan
dagelijks duizenden voertuigen van de assembly lines. Maar wie kon die auto's
kopen? De meeste Amerikanen waren toen niet koopkrachtig genoeg. Ook andere
industriële producten overspoelden nu de markt en er ontwikkelde zich een
chronische wanverhouding tussen het alsmaar groter wordende economische aanbod
en de al te beperkte vraag. Zo kwam het tot de economische crisis die in Amerika
als de Grote Depressie de geschiedenis is ingegaan. Het was essentieel een
crisis van overproductie. De onverkochte goederen stapelden zich op, fabrieken
dankten arbeiders af, en zo verminderde de koopkracht van het Amerikaanse volk
nog meer, hetgeen de crisis nog verergerde.
Het is een historisch onbetwistbaar feit dat aan de Grote Depressie in Amerika
slechts een einde is omgekomen gedurende en omwille van, de Tweede Wereldoorlog.
(Zelfs de grootste bewonderaars van President Roosevelt geven toe dat zijn "New
Deal"-strategie van de jaren 1930 weinig of geen verlichtinig heeft gebracht.)
De vraag steeg spectaculair toen de oorlog, die in Europa was uitgebroken en
waaraan de VS vóór 1942 niet actief deelnam, de Amerikaanse industrie toeliet om
onbeperkte hoeveelheden oorlogsmateriaal te produceren. Tussen 1940 en 1945 zou
de Amerikaanse staat voor dergelijk materiaal niet minder dan 185 miljard dollar
uitgeven . Het aandeel van de militaire staatsuitgaven aan het brutto
nationaalproduct van het land steeg tussen 1939 en 1945 van een onbeduidend 1,5%
tot ongeveer 40%. Bovendien mocht de Amerikaanse industrie via het zogenaamde
Lend-Lease-systeem reusachtige hoeveelheden materiaal leveren aan de Britten en
zelfs aan de Sovjets. (In Duitsland produceerden de talrijke filialen van
Amerika's grote ondernemingen ondertussen ijverig allerlei oorlogstuig voor de
Nazi's, ook na Pearl Harbor, maar dat is een andere geschiedenis.) Er kwam dus
een einde aan de wanverhouding tussen vraag en aanbod - het kernprobleem van de
Grote Depressie - omdat de staat door middel van gargantuaanse bestellingen de
economische navraag weer op dreef kreeg.
Voor de gewone Amerikanen bracht Washingtons militaire aankoopsorgie niet alleen
vrijwel volledige werkgelegenheid maar ook veel hogere lonen dan ooit tevoren.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog kwam aan de wijdverbreide miserie van de Grote
Depressie een einde; een groot deel van het Amerikaanse volk bereikte een
ongeziene graad van welvaart. Maar de zakenlui en de grote ondernemingen
profiteerden het meest van de oorlogsconjunctuur en streken waanzinnige winsten
op. Tussen 1942 en 1945, schrijft de historicus Stuart D. Brandes, lagen de
nettowinsten van de 2.000 grootste Amerikaanse firma's meer dan 40% hoger dan
gedurende de jaren 1936-1939. Een dergelijke "profit boom" was mogelijk, legt
hij uit, omdat de staat voor miljarden dollars bestellingen plaatste voor
militair materiaal, de prijzen niet controleerde en de winsten weinig of niet
belastte. Daarvan profiteerde de Amerikaanse zakenwereld in het algemeen, maar
vooral de elite van de ondernemingen of corporations. Minder dan zestig
ondernemingen sleepten gedurende de oorlog 75% van alle lucratieve militaire en
andere staatsbestellingen in de wacht. De grote corporations - Ford, General
Motors, IBM, ITT enz. - ontpopten zich dus als de "mestvarkens", schrijft
Brandes, die zich te goed wisten te doen aan de stampvolle trog van de militaire
staatsuitgaven. IBM bijvoorbeeld wist tussen 1940 en 1945 dank zij militaire
contracten zijn jaarlijkse verkoopscijfers te verhogen van 46 tot 140 miljoen
dollar.
De grote Amerikaanse ondernemingen konden nu naar hartelust hun Fordistische
expertise benutten om de productie op te schroeven, maar dat volstond niet om de
oorlogsbehoeften van de Amerikaanse staat te dekken. Er moest nog meer
geproduceerd worden, Amerika had nieuwe fabrieken en nog efficiëntere
technologie nodig. En die kwamen er. De totale waarde van alle "productieve
faciliteiten" van het land zou tussen 1939 en 1945 verhogen van 40 tot 66
miljard dollar. Het was echter niet de privé-sector die deze taak op zich nam.
Omwille van de ervaringen met overproductie in de jaren 1930 vonden Amerika's
zakenlui dergelijke investeringen te riskant; ze lieten de verantwoordelijkheid
dus over aan de staat. Deze laatste subsidieerde enerzijds heel royaal de
relatief weinige nieuwe investeringen van privé-ondernemingen en investeerde
anderzijds zelf 17 miljard dollar in meer dan 2.000 projecten die met
landsverdediging te maken hadden. Deze gloednieuwe fabrieken werden dan voor een
appel en een ei aan privé-firma's uitgeleend. Na de oorlog wilde Washington zich
ontdoen van deze investeringen, en natuurlijk waren 's lands grote corporations
er als de kippen bij om ze over te nemen... voor de helft, en in vele gevallen
zelfs voor slechts een derde,van hun werkelijke waarde.
Hoe financierde Amerika de oorlog, hoe betaalde Washington de torenhoge
rekeningen die door Ford, GM, ITT en de andere leveranciers van Big Business
werden aangeboden? Het antwoord is: enerzijds door belastingen (ongeveer 45%),
maar meer nog door leningen (ongeveer 55%). Door die leningen nam de
staatsschuld enorm toe, van 3 miljard dollar in 1939 tot 45 miljard dollar in
1945. In theorie kon en moest die schuld goedgemaakt worden door het heffen van
belastingen op de hoge winsten die gedurende de oorlog vooral verwezenlijkt
werden door Amerika's grote ondernemingen. Maar in werkelijkheid ging het
anders. De Amerikaanse staat betaalde de rekeningen met zijn algemene inkomsten,
d.w.z. met de opbrengst van de directe en indirecte belastingen, die door de
regressieve Revenue Act van October 1942 in steeds hogere mate betaald werden
door arbeiders en andere gewone Yankees in plaats van door de superrijke
Amerikanen en de grote ondernemingen. "Het waren de armere leden van de
Amerikaanse maatschappij", onderstreept de historicus Sean Dennis Cashman, "die
men de kosten van de oorlog deed dragen". Maar het Amerikaanse publiek, verblind
door de zon van volledige werkgelegenheid en hoge lonen, had dit niet in de
gaten. De superrijken van Amerika daarentegen namen nota van de wonderbare wijze
waarop de oorlog zaad in hun bakjes bracht. Terloops gezegd, het was vooral van
zakenlui, bankiers, verzekeraars, en andere grote investeerders dat Washington
het geld leende waarmee de oorlog werd gefinancierd. Corporate America stak ook
het leeuwendeel van de interesten op zak die opgebracht werden door de aankoop
van Amerika's befaamde oorlogsobligaties, de war bonds. De superrijke Amerikanen
zijn in theorie de grote kampioenen van het zogenaamde vrije ondernemerschap en
ze verfoeien in principe elke vorm van staatsinmenging; ze hadden er echter
niets op tegen dat de Amerikaanse staat de oorlogseconomie op die manier leidde
en financierde. Want zonder deze grootscheepse, dirigistische overtreding tegen
de regels van de free enterprise had hun collectieve rijkdom zich gedurende de
oorlogsjaren nooit zo snel en zo spectaculair kunnen vermenigvuldigen.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog leerden de eigenaars en zaakvoerders van de
grote corporations - de superrijken van Amerika par excellence - een heel
belangrijke les: gedurende een oorlog valt er met de medewerking van de staat
grof geld te verdienen. Anders gezegd: het maximaliseren van winsten kan men
veel gemakkelijker bereiken door het voorbereiden en het voeren van oorlogen dan
door het prediken van vrede. Het loont de moeite om dit eventjes te herhalen:
voor het opdrijven van de winstmarges is oorlog (veel) beter dan vrede. En niet
vergeten: de staat moet zijn medewerking verlenen. Daarvan zijn de superrijken
van Amerika zich ook vandaag scherp bewust. De spruit van de Amerikaanse
gelddynastie, Bush junior, beseft dit intuïtief; vandaag huurt hij het Witte
Huis om de belangen van de zeer kleine, maar machtige klasse van superrijken te
behartigen.
In de lente van 1945 was het duidelijk dat aan die winstgevende Wereldoorlog
snel een einde zou komen., en wat dan? Bij de economisten waren er heel wat
Cassandra's die de politieke en industriële leiders van Amerika een bijzonder
naar scenario voorhielden. De Amerikaanse economie was gedurende de oorlog
verslaafd geraakt aan de drug van militaire staatsuitgaven. Washingtons aankopen
van oorlogsmateriaal, en niets anders, had de economische vraag de hoogte
ingejaagd en zowel hoge winsten als algemene werkverschaffing mogelijk gemaakt.
Maar die bron was gedoemd om met het einde van de vijandigheden op te drogen.
Het spook van de wanverhouding tussen vraag en aanbod dreigde opnieuw op te
dagen. Dit kon leiden tot een nog grotere crisis dan in de jaren 1930, want
gedurende de oorlogsjaren was de industriële capaciteit van het land nog flink
toegenomen. Arbeiders zouden moeten ontslagen worden precies op het ogenblik dat
miljoenen veteranen naar huis zouden komen en werk zouden zoeken; en de
werkloosheid tengevolge daaarvan zou het deficit van de vraag nog verergeren.
Bekeken vanuit het standpunt van de Amerikaanse machtigen en rijken betekende
dit vooral dat aan het Gouden Tijdperk van de gargantuaanse winsten een einde
zou komen. Een dergelijke catastrofe moest dringend voorkomen worden, maar hoe?
De militaire staatsuitgaven vormden de bron van hoge winsten. Om te vermijden
dat die bron plots zou opdrogen had men na de overwinning op Duitsland en Japan
dringend nieuwe vijanden en nieuwe oorlogsdreigingen nodig. Gelukkig was er de
Sovjetunie, gedurende de oorlog een bijzonder nuttige partner die in het
meedogenloos conflict tegen de Nazi's de kastanjes uit het vuur had mogen halen,
maar die omwille van zijn communistisch ideeëngoed gemakkelijk kon worden
omgetoverd in de nieuwe boeman van Amerika. De meeste Amerikaanse historici
geven nu toe dat de Sovjetunie in 1945 helemaal geen ernstige bedreiging vormde
voor het economisch en militair veel sterkere Amerika, en dat de Sovjets ook na
1945 met Washington wilden blijven samenwerken. Immers, bij een conflict met
supermacht Amerika - boordevol vertrouwen dank zij het gloednieuwe atoompistool
dat ostentatief in zijn holster stak - had Moskou niets te winnen maar wel heel
veel te verliezen. Het Amerika van de superrijken had echter dringend een nieuwe
vijand nodig om de reusachtige uitgaven voor "landsverdediging" te
rechtvaardigen en zo hun winstmarges nog te verhogen. Het is om die reden dat in
1945 de Koude Oorlog ontketend werd, niet door de Sovjets maar door het
Amerikaanse "militair-industrieel" complex, zoals President Eisenhower het later
zou noemen.
In dit opzicht overtrof de Koude Oorlog de stoutste verwachtingen. Er mocht
steeds meer martiaal tuig geproduceerd worden, want ook de bondgenoten binnen de
zogenaamde "vrije wereld" - waartoe ook heel wat dictaturen behoorden - moesten
tot de tanden bewapend worden. En bovendien verlangde het Amerikaanse leger naar
nieuwere en betere tanks, vliegtuigen en raketten. Zonder moeilijke vragen te
stellen betaalde het Pentagon voor al die spullen grof geld. Net zoals ten tijde
van de Tweede Wereldoorlog waren het vooral de grote corporations die de wapens
mochten leveren. De reusachtige winsten die de Koude Oorlog voortbracht kwamen
dus ten goede aan de Amerikaanse superrijken die de eigenaars en/of managers van
die ondernemingen waren en dat nog steeds zijn.
Ook gedurende de Koude Oorlog financierde de Amerikaanse staat de steeds hogere
militaire uitgaven vooral door middel van leningen, en zo steeg de staatsschuld
tot duizelingwekkende hoogtes. In 1945 bedroeg die "slechts" 258 miljard dollar,
maar in 1990 - toen de Koude Oorlog eindigde - niet minder dan 3,2 triljoen
dollar! Een reusachtige verhoging was dat, ook wanneer men rekening houdt met de
inflatie over dezelfde periode. Zo degradeerde de VS, het rijkste land ter
wereld, tot de allergrootste schuldenaar ter wereld. (Terloops gezegd, in juli
2002 bedroeg de Amerikaanse staatsschuld 6,1 triljoen dollar.) Eigenlijk had
Washington die schuld kunnen en moeten delgen door belastingen te heffen op de
reusachtige winsten die geboekt werden door de ondernemingen die bij de
bewapening betrokken waren, maar daarvan is nooit sprake geweest. In 1945, toen
de Tweede Wereldoorlog eindigde en de Koude Oorlog begon, betaalden corporations
nog 50% van alle belastingen; gedurende de Koude Oorlog kromp dit aandeel
consequent, en nu bedraagt het nog slechts 1%. Dit was uiteraard mogelijk omdat
de grote ondernemingen van Amerika grotendeels de politiek bepalen die door de
regering in Washington gevoerd werd en wordt, ook de belastingspolitiek. Een
andere belangrijke factor was het feit dat de corporations van Amerika na de
Tweede Wereldoorlog multinationals werden die "overal en dus nergens thuis
zijn", zoals een Amerikaanse auteur heeft gezegd i.v.m. ITT, en dus gemakkelijk
kunnen ontsnappen aan het betalen van belastingen waar dan ook. In de VS, het
land waar de grootste winsten verwezenlijkt worden, betaalden 37% van alle
Amerikaanse multinationals - en meer dan 70% van alle buitenlandse
multinationals - in 1991 geen enkele dollar belastingen, terwijl de rest minder
dan 1% van hun winsten aan de fiscus afdokte!
De adembenemende hoge kosten van de Koude Oorlog werden dus niet gedragen door
diegenen die van die oorlog profiteerden, maar door de Amerikaanse arbeiders en
door de Amerikaanse middenklasse. Die kregen geen cent van de winsten die
rijkelijk door de Koude Oorlog werden afgeworpen. Maar ze kregen wel hun deel
van de enorme staatsschuld. Het zijn dus de Amerikaanse kleine man en vrouw die
met hun belastingen voor die schuld moeten opdraaien. Terwijl de winsten van de
bewapening geprivatiseerd werden ten bate van de superrijken, werden de kosten
ervan gesocialiseerd ten nadele van alle andere Amerikanen. Gedurende de Koude
Oorlog ontaardde het Amerikaanse economische systeem zodoende in een gigantische
aftroggelarij, in een herverdeling op grote schaal van de rijkdom ten voordele
van de superrijken en ten nadele van de arbeiders- en de middenklasse. Terwijl
de superrijken schatten samenscharrelden, werd de welstand die vele Amerikanen
gedurende de Tweede Wereldoorlog bereikten steeds meer ondermijnd en boerde de
algemene levensstandaard langzaam maar zeker achteruit. Gedurende de Tweede
Wereldoorlog was de collectieve rijkdom van Amerika in bescheiden mate
herverdeeld ten voordele van de armere leden van de maatschappij; gedurende de
Koude Oorlog daarentegen werden de rijke Amerikanen rijker en werden de armen
armer. Toen de Koude Oorlog in 1989 ten einde liep, leden meer dan 13% van de
Amerikanen - ongeveer 31 miljoen mensen - armoede. Daarentegen beschikt 1% van
alle Amerikanen vandaag over 34% van de totale rijkdom van het land. In geen
enkel "Westers" land is de rijkdom vandaag meer ongelijk verdeeld.
Dit uiterst klein percentage van superrijken vond die stand van zaken passend en
rechmatig. "Tout va pour le mieux dans le meilleurs des mondes possibles",
konden ze zeggen, en ze hoopten ongetwijfeld dat het altijd zo kon blijven. In
1990 kwam er echter aan die wonderbaarlijke, winstgevende Koude Oorlog een einde
en dat vormde een ernstig probleem. De gewone Amerikanen, die opdraaiden voor
die oorlog, verwachtten namelijk een peace dividend. Zij dachten dat het geld
dat de staat had uitgegeven om Koude Oorlog te voeren voortaan hen ten goede zou
komen, bijvoorbeeld in de vorm van algemene ziekteverzekering en andere sociale
diensten waarvan de gewone Amerikanen in tegenstelling tot de meeste Europeanen
nog nooit hebben mogen genieten. Zoiets was voor de superrijken van Amerika
echter totaal oninteressant, want aan de voorziening van sociale diensten valt
er geen geld te verdienen, tenminste toch niet in vergelijking met de torenhoge
winsten van bewapening. Zodus moest dringend vermeden worden dat er een einde
kwam aan de militaire staatsuitgaven die sinds de Tweede Wereldoorlog hun steeds
rijkelijkere hoorn des overvloeds van profits hadden gevormd.
Het Amerika van de superrijken was zijn nuttige Sovjetvijand kwijt en had dus
dringend nieuwe vijanden en nieuwe oorlogsdreigingen nodig om een hoog peil van
militaire uitgaven te kunnen rechtvaardigen. Het is in deze context dat in 1990
Saddam Hoessein als een deus ex machina ten tonele trad. Die ongelikte beer had
men tot dan toe beschouwd als een dikke vriend, en men had hem tot de tanden
bewapend zodat hij lekker oorlog kon voeren tegen Iran; zijn beruchte weapons of
mass destruction - indien hij die nog heeft - werden hem indertijd door de
Amerikanen zelf (en door bondgenoten zoals Duitsland) geleverd. Maar Washington
- wanhopig op zoek naar nieuwe vijanden - erkende in hem plots een uiterst
gevaarlijke "nieuwe Hitler", tegen wie dringend oorlog moest gevoerd worden, ook
al was het duidelijk dat Irak's bezetting van Koeweit door onderhandelingen
opgelost kon worden. Bagdad werd murw gebombardeerd en Saddams recruten zonder
pardon in de woestijn afgeslacht. De weg naar Bagdad lag open, maar de
triomfantelijke intocht van de Marines in Bagdad werd afgeblazen. Saddam
Hoessein werd aan de macht gelaten zodat de bedreiging, die hij verondersteld
werd te vormen, ook in de toekomst kon worden ingeroepen om Washingtons
militaire aanwezigheid en geo-politieke projecten in het Midden Oosten te
rechtvaardigen. Dank zij de Golfoorlog kon de oorlogsgod Mars dus de
beschermheilige van de Amerikaanse economie blijven, of beter gezegd: de
godfather van de Maffia die deze economie manipuleert en er tenvolle van
profiteert. De door Bush senior geïmproviseerde Golfoorlog vulde de leegte die
werd gelaten door het onvoorziene einde van de Koude Oorlog en hielp vermijden
dat Amerika zijn formidabele wapenuitrusting diende af te leggen. In plaats
daarvan bleef de militaire begroting steil de hoogte ingaan. In 1996
bijvoorbeeld bedroeg die begroting 265 miljard dollar. Maar wanneer men ook de
onofficiële en/of indirecte militaire kosten in acht neemt, zoals bijvoorbeeld
de interesten die betaald worden op leningen waarmee men jaren tevoren militaire
uitgaven financierde, dan bedroegen de militaire staatsuitgaven in 1996 ongeveer
494 miljard dollar, hetgeen neerkwam op 1,3 miljard dollar per dag. Voor alle
zekerheid ging Washington ook elders op zoek naar nieuwe vijanden en nieuwe
bedreigingen. In de Balkan ontdekte men een andere gevaarlijke "nieuwe Hitler",
de Serbische leider Milosevic. In de jaren negentig verschaften conflicten in
Joegoslavië het benodigde voorwendsel voor militaire interventies, grootscheepse
bombardementen, en verdere bewapening. In Amerika zelf kon het project van een
Peace Dividend zo stilzwijgend ten nadele van de gewone Amerikanen begraven
worden en kon de oorlogseconomie in al zijn glorie ten voordele van de rich and
powerful op volle toeren blijven voortdraaien. Het is echter geen gemakkelijke
taak om dit systeem op gang te houden. Men heeft in Washington mensen nodig
waarop men kan rekenen, mannen en vrouwen liefst uit de eigen rangen die
onvoorwaardelijk zijn toegewijd aan de zaak van het oorlogvoeren; mensen dus,
die via het instrument van de militaire staatsuitgaven willen en kunnen blijven
zorgen voor de hoge winsten die de superrijken van Amerika nog
kapitaalkrachtiger moeten maken. President Clinton liet in dit opzicht enigszins
te wensen over en dus werd ervoor gezorgd dat in 2000 niet zijn clone Al Gore
maar een ploeg van authentieke ijzerbijters aan de macht kwam, vrijwel zonder
uitzondering vertegenwoordigers van het superrijke Amerika, zoals Cheney,
Rumsfeld en Rice en natuurlijk George W. Bush zelf. Ook het Pentagon is in het
kabinet van Bush vertegenwoordigd door de "vredelievende" Powell, in
werkelijkheid een engel des doods. Rambo deed zijn intrek in het Witte Huis en
nooit tevoren had het militair-industrieel complex zo vast in het zadel gezeten.
De resultaten lieten niet lang op zich wachten.
Nadat Bush junior tot president "verkozen" werd, zag het er een tijdlang naar
uit alsof hij China tot de nieuwe boeman van Amerika ging uitroepen. Maar een
conflict met die reus leek ietwat te riskant, en overigens verdienen al te vele
Amerikaanse corporations grof geld aan handel met de grote Volksrepubliek. Men
had dringend behoefte aan een geloofwaardigere (en minder gevaarlijke)
bedreiging indien men de militaire staatsuitgaven op het vereiste peil wilde
houden, laat staan verhogen. In dit opzicht hadden Bush, Rumsfield en compagnie
zich niets beters kunnen wensen dan de aanslagen van 11 september 2001 - waarvan
ze overigens vrijwel zeker wisten dat die op komst waren, maar er niets tegen
ondernamen. Die schitterende gelegenheid hebben ze dan ook tenvolle benut om
Amerika meer dan ooit te bewapenen, lekker oorlog te voeren en zo de kassa's van
de firma's die aan het Pentagon mogen leveren nog heerlijker te laten rinkelen.
Bush verklaarde de oorlog niet aan een land maar aan het terrorisme, een
abstract begrip waartegen men in werkelijkheid geen oorlog kan voeren en
waartegen sowieso nooit een definitieve overwinning kan behaald worden. Dit was
iets geniaals, want in de praktijk betekent de war against terrorism dat
Washington het recht opeist om permanent en wereldwijd oorlog te voeren tegen
wie dan. Het probleem van het einde van de Koude Oorlog is daarmee definitief
opgelost. De cijfers van de Amerikaanse militaire begroting spreken boekdelen.
Het totaal van 265 miljard van 1996 was reeds astronomisch, maar dank zij Bush
Junior mocht het Pentagon in het jaar 2002 maar liefst 350 miljard uitgeven, en
voor 2003 beloofde hij de bagatel van ongeveer 390 miljard; het is nu echter
vrijwel zeker dat de kaap van 400 miljard dollar dit jaar zal overschreden
worden. (Om dit te financieren moet er uiteraard bespaard worden, o.a. in de
vorm van het schrappen van gratis maaltijden voor de armen van Amerika; alle
baten helpt.) Geen wonder dat George W. straalt van geluk en trots, want hij
heeft de stoutste verwachtingen vervuld van zijn superrijke familie en vrienden,
van het corporate America dat hem in het Witte Huis heeft geparachuteerd.
11 september heeft Bush voorzien van een carte blanche om oorlog te voeren waar
en tegen wie dan ook. Vorig jaar strooide hij bommen op Afghanistan, maar nu is
Bin Laden uit de mode en is het plots opnieuw Saddam Hoessein die Amerika
belaagt. Op de specifieke redenen waarom het Amerika van Bush op dit ogenblik
met alle geweld tegen het Irak van Saddam Hoessein, en bijvoorbeeld niet tegen
Noord-Korea, oorlog wil voeren, kan hier niet ingegaan worden. Maar het gaat
inderdaad om olie en om de belangen van de Amerikaanse olietrusts waarmee de
Bush-familie - net als Cheney trouwens en Rice, naar wie een olietanker genoemd
werd - zulke nauwe banden heeft.
Het Amerika van de superrijken is verslaafd aan oorlog, zonder een regelmatige
dosis oorlog gaat het niet meer. Aan die behoefte wordt op dit ogenblik voldaan
met een conflict tegen Irak, een conflict dat vooral de oliebaronnen nauw aan
het hart ligt. Maar is er iemand die gelooft dat het oorlogvoeren werkelijk zal
ophouden wanneer Saddam van het toneel verdwijnt en Texaco, Exxon en consoorten
de olieputten van Irak mogen gaan beheren? Bush heeft ons al een lijstje
aangeboden van wie er straks aan de beurt komt, de "axis of evil"-landen: Iran,
Syrië, Lybië, Somalië en - waarom niet? - die oude doorn in het oog van Amerika:
Cuba. Welkom in de wereld van George W. Bush, welkom in het heldhaftige nieuwe
tijdperk van de permanente oorlog.
Tenslotte nog dit. Men beweert soms dat al dit oorlogvoeren in de grond slecht
is voor de Amerikaanse economie. Een dergelijke uitspraak is gedeeltelijk juist,
maar ook gedeeltelijk onjuist. Het hangt ervan af over welke economie, over
wiens economie men spreekt. Voor de economie van de Amerikaanse gewone man en
vrouw is deze oorlog wel degelijk een catastrofe, want zij zullen ervoor
betalen. Met hun geld, maar ook met hun bloed. Want het zijn eveneens de gewone
- liefst zwarte en Hispanische -Amerikanen die het kanonnenvoer moeten leveren
en die blootgesteld zullen worden aan het kankerverwekkend verarmd uranium en
ander exotisch arsenaal van het Pentagon zoals dat reeds in de vorige Golfoorlog
het geval was. De zonen en vriendjes van de superrijken zullen wel thuis weten
te blijven naar het voorbeeld van Bush junior ten tijde van de Vietnamoorlog.
Voor de economie van de Bushes, Cheneys, Rices, Rumsfelds enz…, voor de economie
van de olietrusts, wapenproducenten en andere ondernemingen wier
vertegenwoordigers niet alleen het kabinet van Bush maar ook de hogere rangen
van het Pentagon, het Hoogste Gerechtshof, de CIA, het FBI en andere
sleutelinstellingen van de Amerikaanse staat monopoliseren, voor de economie van
Amerika's superrijken die de aandelen bezitten van de olietrusts en de
wapenfabrieken, is deze oorlog, en zijn oorlogen in het algemeen, echter een
heerlijke zaak. Zij steken immers de winsten op zak die door oorlog(en) even
zeker en overvloedig in de wereld geroepen worden als de dood en vernieling die
anderen te beurt vallen; hun economie profiteert van oorlog, hun economie kan
zonder oorlog niet meer. Indien morgen plots de vrede zou uitbreken, zou dat
voor hun economie een catastrofe zijn. Daarom moet en zal Bush nieuwe vijanden
voor Amerika blijven vinden, zijn land en de "vrije wereld" nieuwe
oorlogsdreigingen blijven voorspiegelen en verder oorlog blijven voeren. Tenzij
de gewone Amerikanen en de rest van de wereld erin slagen hem een halt toe te
roepen...
Noot : Grootvader Prescott Bush, een New Yorkse bankier, specialiseerde zich in
de jaren 1930 in zakendoen met Hitler-Duitsland en lanceerde met het grof geld
dat hij daar mee verdiende zijn zoon George in de olie-industrie. Later werd
deze George hoofd van de CIA en nog later president.